María Díaz de Padilla (María de Padilla) (1334 – August 1361) was the mistress of Pedro I, King of Castile, whom she married in secret in 1353. She was a Castilian noblewoman. Her father was Juan García de Padilla, 1st Lord of Villagera, her mother was his wife María Fernández de Henestrosa, a relative of Juan Fernández de Henestrosa, who mediated an apparent pardon to Fadrique Alfonso of Castile, a half-brother and rival of María de Padilla's lover Pedro I.

PropertyValue
dbpprop:abstract
  • María Díaz de Padilla (María de Padilla) (1334 – August 1361) was the mistress of Pedro I, King of Castile, whom she married in secret in 1353. She was a Castilian noblewoman. Her father was Juan García de Padilla, 1st Lord of Villagera, her mother was his wife María Fernández de Henestrosa, a relative of Juan Fernández de Henestrosa, who mediated an apparent pardon to Fadrique Alfonso of Castile, a half-brother and rival of María de Padilla's lover Pedro I. In the summer of 1353, under coercion from family and court nobles, Pedro denied the fact of his marriage to María to marry Blanca of Bourbon, but his relationship with María continued. María and Pedro I had at least four children: a daughter named Beatriz (born 1354), a daughter named Constance (1354–1394), another daughter named Isabella (1355–1394), and a son named Alfonso, crown-prince of Castile. Two of their daughters were married to sons of Edward III, King of England. Isabella, married Edmund of Langley, 1st Duke of York, while the eldest, Constance, married John of Gaunt, 1st Duke of Lancaster, leading him to claim the crown of Castile on behalf of his wife. The daughter of Constance, Katherine of Lancaster, was married by Henry III of Castile in order to reunify any claim to succession that may have passed via Constance.
  • Doña María Díaz de Padilla war eine kastilianische Adlige und Mätresse von Peter I. der Grausame, König von Kastilien und León.
  • María de Padilla nació en Astudillo (Palencia) hacia el año 1334, falleciendo en el Alcazar de Sevilla en 1361, posiblemente de peste; posteriormente su cadáver fue trasladado a Astudillo, donde permanecería hasta que se la reconoció como reina. A partir de ese momento se la traslada de nuevo a la catedral de Sevilla, donde se encuentra. Las crónicas de su época la describen como muy fermosa, e de buen entendimiento e pequeña de cuerpo. Pertenecía a una importante familia castellana, los Padilla, originarios de Padilla de Abajo, antes Padiella de Yuso, localidad de Burgos en la merindad de Castrojeriz, cuyos miembros fueron siempre personas muy destacadas en Castilla. Pedro I conoció a doña María de Padilla en 1352 cuando iba de expedición a Asturias para luchar contra su hermanastro Enrique de Trastámara que se había sublevado. A partir de ese momento, María de Padilla se convirtió en su amante y fue su permanente amor, por encima de los matrimonios del monarca. No se conocen muchos datos sobre su biografía, pero se sabe que tuvo un carácter bondadoso, influyendo en ocasiones para que Pedro perdonara a nobles que se habían puesto en su contra y habían faltado a la lealtad que de ellos se esperaba.
  • ファイル:AbsideRectangular. jpg ユソのパディーリャ教会 ファイル:Alcazar sevilla maria pool. jpg マリア・デ・パディーリャの浴槽 マリア・デ・パディーリャ(María de Padilla, 1334年 – 1361年)は、カスティーリャ王ペドロ1世の愛妾。ペドロ1世はマリアを最も愛し、一方で王妃ブランカ・デ・ボルボーンを幽閉していたため、マリアが実質的な王妃であった。青池保子の漫画『アルカサル-王城-』の影響もあり、マリア・デ・パデリアの表記も広く用いられる。
  • María de Padilla (Sevilla, 1334 – Sevilla, augustus 1361) was de minnares van Peter I van Kastilië. María kwam voort uit een adellijke Kastiliaanse familie, de Padilla’s, afkomstig uit enerzijds Padilla de Abajo (vroeger Padilla de Yuso geheten) en behorende tot de provincie Burgos in Spanje, en anderzijds uit Castrojeriz. Deze familie was van oudsher een familie met veel bezittingen die een grote rol speelde in de politiek van Kastilië. Peter leerde María kennen tijdens een expeditie in Asturië, gericht tegen zijn halfbroer Hendrik van Trastámara. Vanaf die tijd werd María de Padilla zijn minnares, ondanks het feit dat de koning trouwde met Blanca van Bourbon en hertrouwde met Juana de Castro. In 1353 trouwde Peter I met Blanca van Bourbon, nicht van de koning van Frankrijk en dochter van de Hertog van Bourbon. Dit huwelijk was geregeld door Juan Alfonso de Alburquerque in samenwerking met Maria van Portugal, de koninginmoeder, maar zonder instemming van Peter. Drie dagen na het huwelijk met Blanca vertrok Peter, mogelijkerwijs omdat hij er achter was gekomen dat Blanca een verhouding zou zijn begonnen met zijn halfbroer Fadrique van Trastámara (1335-?). Hij voegde zich weer bij María de Padilla, met wie hij kort daarna een eerste kind kreeg (Beatriz). De koning installeerde zich vervolgens in Medina del Campo, waar hij langzamerhand een opstand tegen zijn halfbroer voorbereidde, met steun van een deel van de Joodse gemeenschap en van de burgers van de stad. In 1354 werd het huwelijk met Blanca ongeldig verklaard zodat de koning kon trouwen met Juana de Castro, weduwe van Diego de Haro. Peter werd echter door zijn tegenstanders gevangen gezet in Toro, samen met enkele bondgenoten. Hij wist echter te ontsnappen, in gezelschap van zijn Joodse schatmeester, Samuel Levi. Toen Paus Innocentius VI over het huwelijk hoorde beval hij Beltrán, de bisschop van Sena of van Cesena (episcopus senecensis), een kerkelijk proces te beginnen tegen de bisschop van Sevilla en die van Ávila, die het huwelijk hadden goedgekeurd. Bovendien moest Beltrán er voor zorgen dat het huwelijk met Juana ontbonden werd en dat Peter weer bij Blanca van Bourbon terugkeerde. Nadat haar tweede kind, Constance, geboren werd, wendde María de Padilla zich tot de paus, met het verzoek een Clarissenklooster in Palencia te mogen oprichten. Uit pauselijke documenten, teruggevonden in Avignon, blijkt dat Peter het verzoek steunde en bovendien vermelde dat hij van plan was om in dit klooster boete te doen. In Astudillo werd daarna inderdaad een klooster gesticht, maar noch María, noch Peter deden daar hun intrek. In 1355 werd hun derde kind geboren, Isabel, en in hetzelfde jaar werd de zoon van de wettelijke echtgenote van Peter, Juana de Castro, Juan van Kastilië geboren. Deze werd later, in 1386, opgesloten in Soria. De gijzelaar diende als onderpand van een vredesverdrag getekend tussen Hendrik II van Kastilië en de Hertog van Lancaster. In 1359 werd het laatste kind uit de relatie tussen María en Peter geboren, Alonso, maar deze enige zoon overleed reeds in 1362. In 1361 beval Peter dat zijn vroegere echtgenote Blanca om het leven gebracht moest worden, om daarna María tot zijn wettige vrouw te kunnen maken, maar María overleed hetzelfde jaar, waarschijnlijk aan de pest hoewel de geschiedsschrijver Balthasar de Ayala de oorzaak omschrijft met “pijn”, zodat iedere natuurlijke doodsoorzaak of ziekte de mogelijke doodsoorzaak is. María de Padilla werd begraven in het klooster van Astudillo. Tijdens de hofraad, gehouden een jaar later in Sevilla, verklaarde Peter dat María zijn enige, werkelijke liefde was geweest. De aartsbisschop van Toledo kon zich hier wel in vinden en verklaarde de twee eerdere huwelijken als ongeldig. De Cortes waren vervolgens bereid om María postuum tot koningin uit te roepen en haar nageslacht te erkennen als legitiem. Peter liet daarna haar lichaam overbrengen naar de kathedraal van Sevilla, waar hij later ook begraven werd. Het leven van María de Padilla is het onderwerp van een opera geschreven door Gaetano Donizetti (1797-1848)
  • Rainha consorte da Espanha, amante de D. Henrique IV. Mesmo sendo amante do rei, foi considerada rainha.
dbpprop:hasPhotoCollection
dbpprop:reference
rdf:type
rdfs:comment
  • María Díaz de Padilla (María de Padilla) (1334 – August 1361) was the mistress of Pedro I, King of Castile, whom she married in secret in 1353. She was a Castilian noblewoman. Her father was Juan García de Padilla, 1st Lord of Villagera, her mother was his wife María Fernández de Henestrosa, a relative of Juan Fernández de Henestrosa, who mediated an apparent pardon to Fadrique Alfonso of Castile, a half-brother and rival of María de Padilla's lover Pedro I.
  • Doña María Díaz de Padilla war eine kastilianische Adlige und Mätresse von Peter I. der Grausame, König von Kastilien und León.
  • María de Padilla nació en Astudillo (Palencia) hacia el año 1334, falleciendo en el Alcazar de Sevilla en 1361, posiblemente de peste; posteriormente su cadáver fue trasladado a Astudillo, donde permanecería hasta que se la reconoció como reina. A partir de ese momento se la traslada de nuevo a la catedral de Sevilla, donde se encuentra. Las crónicas de su época la describen como muy fermosa, e de buen entendimiento e pequeña de cuerpo.
  • ファイル:AbsideRectangular. jpg ユソのパディーリャ教会 ファイル:Alcazar sevilla maria pool.
  • María de Padilla (Sevilla, 1334 – Sevilla, augustus 1361) was de minnares van Peter I van Kastilië. María kwam voort uit een adellijke Kastiliaanse familie, de Padilla’s, afkomstig uit enerzijds Padilla de Abajo (vroeger Padilla de Yuso geheten) en behorende tot de provincie Burgos in Spanje, en anderzijds uit Castrojeriz. Deze familie was van oudsher een familie met veel bezittingen die een grote rol speelde in de politiek van Kastilië.
  • Rainha consorte da Espanha, amante de D. Henrique IV. Mesmo sendo amante do rei, foi considerada rainha.
rdfs:label
  • María de Padilla
  • María de Padilla
  • María de Padilla
  • Maria di Padilla
  • マリア・デ・パディーリャ
  • María van Padilla
  • Maria de Padilla
owl:sameAs
skos:subject
foaf:page
is dbpprop:_11 of
is dbpprop:_19 of
is dbpprop:_31 of
is dbpprop:ahnentafel4Property of
is dbpprop:mother of
is dbpprop:redirect of
is owl:sameAs of