| dbpedia-owl:abstract
|
- Javanese beliefs (Kebatinan or Kejawen) have principles embodying a search for inner self but at the core is the concept of peace of mind. Although Kejawen is not strictly a religious affiliation, it addresses ethical and spiritual values as inspired by Javanese tradition. It is not a religion in usual sense of the word, like Islam, Judaism, or Christianity. There are no scriptures such as the Bible or the Qur'an, nor are there prophets. There is no emphasis on eschatology (i.e. , life after death, heaven or hell, devils or angels).
- Kejawen (ook wel kebatinan genoemd) is een Javaanse vorm van spiritualiteit. Het is geen exclusieve godsdienst in de zin van de wereldgodsdiensten zoals islam of christendom want kejawen kan door de aanhangers van iedere godsdienst worden beoefend. De aanhangers van kejawen zoeken naar evenwicht en het "ik" maar gemoedsrust staat bij de aanhangers van kejawen centraal. Kejawen gaat uit van ethische en spirituele principes die tot de Javaanse traditie behoren. De kejawen kent geen heilig boek en er is geen eschatologische leer over voortbestaan van de ziel en evenmin over bestraffing of beloning voor goede en slechte daden. In de zoektocht naar innerlijke harmonie wordt een metafysisch evenwicht in zichzelf nagestreefd. Ook harmonie in de relatie met het universum en een veronderstelde almachtige god zijn onderdeel van de kejawen. De traditionele Javaanse spiritualiteit is een mengeling van occultisme, goenoeng goenoeng of tovenarij, metafysische en mystieke overtuigingen en andere esoterische gedachten en leren. Ook het Javaanse volksgeloof, de abangan, heeft sporen in de kejawen nagelaten. In die zin is kejawen syncretisch. De sterke nadruk die vanouds op Java op synthese van overtuigingen en geloven wordt gelegd betekent in de praktijk dat men twee tegenstrijdige overtuigingen tegelijk kan aanhangen. De Javaanse wijsbegeerte combineert idealen van menselijke wijsheid (wicaksana), de psyche (waskita) en perfectie (sempurna). De aanhanger van kejawen leert zijn passies en driften te controleren. De kejawen legt ook de nadruk op ascese en het verwerpen van rijkdom en comfort. Het doel is verlichte harmonie en eenheid met de geest van het universum. Kejawen bestaat uit veel stromingen rond een gezaghebbende of charismatische leraar. De honderden mystieke stromingen, worden ook wel aliran kebatinan (aliran = stroming, kebatinan = mystiek), of kepercayaan (= geloof) genoemd. De meeste van deze Javaanse mystieke sekten verdwijnen bij de dood van hun stichter. Sommige sekten overleven het en behouden zelfs de oorspronkelijke naam. Maar gewoonlijk splitst het lidmaatschap zich op in kleinere groepen die geen contact met elkaar onderhouden.". De graven van de leraren worden wel in ere gehouden en ze worden vaak bezocht. De Javaanse bevolking kan worden opgedeeld in een drietal groeperingen: de "abangan", de "santri" en de "priyayi". De abangan zijn nominaal Moslim, maar laten zich leiden door het oude volksgeloof of kejawen. Daarin wordt alles in de natuur bezield gezien. "Flora en fauna hebben evenals de mens een ziel, die echter meer dan bij de mens in het materiele bestaan verzonken is. Daardoor kunnen bepaalde dieren en planten schadelijk zijn...". De Godheid staat daarboven in serene rust en bied geen hulp. Er resten de abangan twee mogelijkheden. "Eerst die van het offer en spreuk, in latere tijd de mogelijkheid van overgave - rela en aanbidding - bekti. Deze primitieve grondideeën keren in de 20e-eeuwse mystieke groepen terug, zijn wellicht nooit afwezig geweest.". De Priyayi zijn de afstammelingen van de erfelijke aristocratie van de Javaanse vorstenhuizen van Djogja- en Surakarta. Op hun beurt erfgenamen van veel oudere hindoeïstische vorstenhuizen. De Nederlanders wisten een deel van de Javaanse aristocraten bij het begin van hun koloniale overheersing voor zich te winnen. De Priyayikregen een eigen machtspositie en begonnen zich minder afhankelijk van hun vorsten, de Soesoehoenan van Soerakarta en de Sultan van Djokjakarta op te stellen. De Nederlanders lieten veel van het bestuurlijke apparaat aan deze aristocraten over. Door die collaborerende houding wekten zij de achterdocht op van de orthodoxe Moslims, de zogeheten Santri. In dit verband kan het kortlevende koninkrijk Gadjah-Mada op de vlakte van Singhasari, bij Palang, een leen, Mada geheten, dat door Vorst Rajasanagara werd gegeven aan de Hindoeïstische krijgsman Gadjah Mada worden genoemd. Het werd rond 1636 door Sultan Agoeng veroverd. Deze kraton zou de mataramse hoven hebben voorzien van de zogenaamde Gadjah-mati's, een ambtenarenstand. De belangrijke goeroe's dragen vaak een Javaanse adellijke titel. De moeder van de stichter van Subud was nazaat van prins Purbokusumo, een afstammeling van Soenan Kalidjogovan Kadilangu van Demak. Zijn vader was een kleinzoon van Kiai Muhammad Abubakar, die oorspronkelijk prins Sajid Muhammad Abubakar van Djokjakarta was. Ook de mystieke beweging die als "Pangestu"bekend is geworden werd door aristocraten gesticht. De Javaanse intelligentsia wordt geidentificeerd met deze priyayi klasse, die vanouds veel bestuursambtenaren kent. Aan hen wordt een edel en zuiver karakter toegeschreven. Zij vertegenwoordigen immers de oorspronkelijke Hindu-Javaanse hoftradities uit vroeger eeuwen die zich kenmerkte door de zeer verfijnde etikette, de dans- drama-, muziek- en poëtische kunsten - maar bovenal de mystiek die geleerd werd van vereerde hofgoeroe's. Het populaire geestelijke wajang spel had eens geestelijke achtergronden. De lamp in het schaduwspel symboliseert bijvoorbeeld de allesomgevende kracht van God. De wajang verhalen zijn gebaseerd op het Indiase epos Mahabharata en de populaire Ramayana. Vanwege die nog steeds aanwezige Hindoeïstische achtergrond staan orthodoxe Moslims minder welwillend tegenover de Kejawen. Dertig procent van de Javanen hangt een sterk syncretistische en gejavaniseerde versie van de Islam aan. De rest noemt zich weliswaar Islamiet maar staat het dicht bij de oud-Javaanse Hindoeïstische traditie.
- La culture javanaise est empreinte de croyances et de pratiques antérieures à l’arrivée des grandes religions. On appelle kejawen (de Jawi, “Java") l’ensemble des éléments de la culture javanaise considérés comme essentiellement javanais. On traduit ce mot par "javanisme". Des historiens font remonter ces croyances et rituels à la période hindou-bouddhique de l’histoire de Java central et oriental, qui va du Modèle:RomModèle:E au Modèle:RomModèle:E siècles après J. -C. L’ensemble de ces valeurs culturelles produit un système de pensée qui donne aux Javanais des repères pour la conduite de leur vie quotidienne. Les Sundanais de Java Ouest ont à peu près les mêmes pratiques et croyances, qu'ils appellent agama Sunda Wiwitan. Le kejawen n’est pas un système religieux, mais il comporte des valeurs éthiques et spirituelles tirées de la tradition javanaise. Cet aspect du kejawen est appelé kebatinan (de l’arabe bathin, "intérieur, spirituel"). Le kejawen vise un mode de vie bon et approprié (urip sejati) pour parvenir à une relation harmonieuse entre le serviteur et son Dieu (jumbuh ing kawula Gusti). Vivre harmonieusement est fondamental. Ceci implique une relation harmonieuse entre les personnes en société, entre les hommes et l’univers, et entre les hommes et Dieu. Dès leur plus tendre enfance, on apprend aux Javanais à croire en Dieu, à avoir un comportement moral, à observer l’étiquette. Un concept cher aux Javanais est celui de mamayu-ayu ning buwono, “rendre le monde beau”, c’est-à-dire préserver l’univers pour le bien-être de ses habitants. Cette attitude se reflète dans des traditions et rituels tournés vers la nature. Pour un Javanais, toutes les religions sont bonnes. Comme ailleurs en Indonésie, la vie à Java est marquée par une série de rites de passage : la coupe symbolique d’une mèche de cheveu de l’enfant à son premier mois, le tedhak siti (« descente sur terre ») symbolisant le moment où il peut ne plus être porté en permanence, la circoncision pour les garçons, les premières règles pour les filles. Le mariage lui-même comporte un ensemble de rituels symboliques. Le septième mois de grossesse est également marqué par une cérémonie. Après la naissance de l’enfant, le cycle reprend. Comme ailleurs en Indonésie, on donne à ces occasions un slametan (repas propitiatoire). Le but du slametan est d’assurer paix (le mot vient de l’arabe salam, “paix”) et prospérité à la communauté. Mais on donne aussi un slametan lorsque survient une crise, ou que l’équilibre de l’existence est perturbé. Le rôle du slametan est de contribuer au maintien de l’harmonie, condition nécessaire pour obtenir la protection des leluhur (ancêtres), des esprits et de Dieu. A d’autres occasions, on présente simplement un sesajen (offrande de fleurs et de nourriture). Dans le pencak, l’art martial traditionnel de Java, les sesepuh (anciens), les guru (maîtres) et les pendekar (combattants) sont censés préserver un héritage culturel qui inclut les secrets du kejawen. Ils doivent transmettre à leurs élèves l’ilmu, le “savoir” (de l’arabe ilm), qui est autant technique que mystique. A travers la pratique du silat, l’élève peut approfondir sa connaissance du kejawen et atteindre aux secrets mystiques. Il doit pour cela viser à l’idéal javanais d’humanité en maîtrisant ses passions. La tradition des pusaka (objets hérités sacrés) est un autre aspect du kejawen. Elle reflète une conception où l’on accorde une âme aux objets. La nuit qui précède un vendredi coïncidant avec le jour kliwon de la semaine javanaise de cinq jours a une importance particulière dans le kejawen, car les esprits sont censés être particulièrement présents. Chaque recoin de rizière et de forêt de Java s'ouvre alors à un monde peuplé de créatures maléfiques ou bénéfiques. Les cours royales et princières de Surakarta et Yogyakarta sont considérées comme la source de cette culture. La Serat Centhini, poème épique, mystique et érotique écrit vers 1815 à la demande d'un prince de Surakarta pour contenir tous les "savoirs" (ilmu) de la tradition javanaise, est ainsi un des ouvrages de référence. Fichier:Agunglabuhsesaji. JPG Le Labuh Sesaji ("jeté d'offrandes"), cérémonie dans le cadre du Bersih Desa du village de Sarangan dans le kabupaten de Magetan Mais cette culture et cette tradition se manifestent aussi dans les villages. La cérémonie du bersih desa ("nettoyer le village"), rite de pufification du village, au cours duquel sont honorés Sri, la déesse du riz, l'esprit tutélaire du village ainsi que le cikal bakal ou fondateur mythique du village, en est un exemple. Le kejawen se traduit également sur le plan politique. Il consiste à voter pour des partis non religieux, comme le PNI ou le PKI à l’époque de Soekarno, et de nos jours, le Golkar (ancien parti de Soeharto), le PDI-P (héritier du PNI) et le PKB (fondé par le dirigeant musulman et ancien président Abdurrahman Wahid, dit “Gus Dur”). Certains comparent le kejawen au soufisme, dans lequel les adeptes se mettent en transe ou en ascèse pour accéder à Dieu. Le kejawen intègre en effet des éléments d'animisme, de bouddhisme, d'hindouisme, d'islam et de christianisme. Cela dit, le contraste avec les grandes religions vient plus d'une différence d'orientation que d'une opposition entre deux identités culturelles qui s'excluraient l'une l'autre. Les "javanistes" en général adhèrent par ailleurs à une de ces grandes religions : le bouddhisme, le catholicisme, l'hindouisme, l'islam et le protestantisme. Dans les campagnes, où les habitants sont en général musulmans, les "javanistes" participent aux activités qui caractérisent l'islam villageois, comme la célébration des fêtes musulmanes, les rites de passage comme la circoncision des garçons, les rites mortuaires. On peut définir comme "javanistes" les personnes qui accordent plus d'importance à la part javanaise de leur culture et considèrent leur adhérence à l'islam comme secondaire. Les "javanistes" ne constituent pas un groupe à part dans la société rurale javanaise.
|